Geplaatst door: 
Verhaal

Oorlogsherinneringen van een Rijksduitser uit Losser

Auteur: 
Aloys Kortemeier - Eerder gepubliceerd in ODeM 1995-1

Niet alleen Nederlanders hadden het moeilijk in de oorlog! Ook voor Duitsers, die in Nederland woonden, liep niet alles van een leien dakje, getuige het onderstaande stukje “geschiedenis” uit het Leven van een dorpsgenoot.

Voor 1940

Het was in 1930 toen ik, (A. Kortemeier) geboren op 5 dec. 1911 in het Duitse Rheine, in verband met de veranderde politieke omstandigheden, crisis en werkloosheid, verhuisde naar Losser, waar ik werk kreeg bij de firma L. van Heek.

De overgang van een stad als Rheine naar Losser was aanvankelijk moeilijk, maar mede door de sport werd ik geleidelijk meer bekend met de plaatselijke toestanden en raakte ik toch ook al gauw ingeburgerd.

Ook al was ik heel sterk bij het sportgebeuren betrokken, toch vroeg ook de politiek grote aandacht, vooral ook door het dreigende oorlogsgevaar dat er mee samen hing. Om aan eventuele dienst in de “wehrmacht” te ontkomen, heb ik in 1938 naturalisatie aangevraagd, om zodoende mijn Duitse nationaliteit voor bet zo begeerde Nederlanderschap te kunnen inruilen. Helaas zonder succes, want reeds na korte tijd kreeg ik bericht, dat mijn verzoek was afgewezen.

1940

En wij in Nederland dachten nog steeds, dat ons kleine landje verschoond zou blijven van oorlogsgeweld, maar die hoop was helaas vergeefs, want 10 mei 1940 werd ook Nederland ongewild in de oorlog betrokken. 
Inmiddels was ik van werkkring veranderd en had werk aanvaard op vliegveld Twente, met in bet achterhoofd de bedoeling om zo aan de eventuele inlijving bij de Duitse oorlogsmachine te ontsnappen. Vergeefs! 

Oproep voor de militaire dienst

Op 15 januari 1942 werd ik opgeroepen voor militaire dienst in Dortmund.

Daags voor mijn vertrek naar Dortmund heb ik met bezwaard hart afscheid genomen van mijn Losserse sportvrienden; ik werd toegesproken door H. van Noesel, de voorzitter van de toenmalige K.S.V. Losser en als blijk van waardering werd mij een attentie aangeboden.

In de kazerne van Dortmund aangekomen was de eerste gang naar de “Kleiderkammer”' voor het aanpassen van de uniformen en verdere benodigdheden. Dit ging aan de lopende band: alle stukken werden je gewoon toegeworpen: mouwen en broekspijpen waren te kort of te lang, de helm was een of twee maten te groot of te klein: geen commentaar, alles paste. 
Er werd gewoon gezegd: “Alles past, alleen de kerel past er niet in”. Het was een mooie poppenkast en bij een carnavalsgebeuren waren we zeker in de prijzen gevallen. Gelukkig was er later gelegenheid om te ruilen.

Ik was nu noodgedwongen Duits militair, maar van begin af aan heb ik gezegd: “Ze krijgen me niet aan het front” en dat heb ik waar kunnen maken; daar ben ik heel blij om, maar het was vaak wel heel, heel moeilijk.

De dienst in Dortmund was zwaar; daar kwam het bekende Duitse koeieren nog bij: “Hinlegen! Aufstehen",  zingen met een gasmasker op, op appel op alle mogelijke en onmogelijke tijden van dag of nacht, bij voorkeur als het heel slecht weer is.

Het was winterdag en de temperaturen waren 15/20 graden onder nul. Bij een van de vele oefeningen in de sneeuw kreeg ik enkele vingers bevroren. Maar ik heb me op alle mogelijke manieren gedrukt, de kat uit de boom gekeken en me alleen dienstbaar gemaakt waar het me nuttig leek.

Als soldaat werd ik ingedeeld bij de “Flak”, de luchtafweer, als afstandmeter. Ik had als taak, bij een luchtaanval de afstand aan te geven voor de geschutsbediening; dat gebeurde vanaf een hoog opgestapelde sneeuwberg en het was vaak toch een komische vertoning.

Na drie maanden van opleiding in de kazerne volgde de verspreiding van de militairen over een groot stuk van de wereld, o.a. naar Afrika, naar Rusland. 
Ik had geluk en hoefde niet zo ver; ik werd aangewezen om een opleidingscursus te volgen voor afstandmeter in Stolpmunde, een plaatsje vlak aan de Oostzee. 
Ik herinner me nog, dat we op de reis naar Stolpmunde 's nachts in Berlijn aankwamen in de buurt van de Brandenburger Tor; bij een kiosk hebben we aardappelpannekoek gegeten voor 10 penning.

De dienst en ook de opleiding in Stolpmunde waren best vol te houden en duurde 6 weken. Gelukkig kwam ik er bij toeval achter, dat na het beëindigen van de opleiding, wij op transport zouden worden gesteld richting Rusland en dat was nu net niet mijn bedoeling. Mijn eerste gedachte was: “Hoe kom ik hier weg?” Ik ben toen naar de wachtmeester gegaan, de leider van de cursus, en heb hem verteld, dat mijn gezichtsvermogen achter uit ging (een afstandmeter heeft goede ogen nodig!) en dat het mij beter leek, voortijdig met de cursus te stoppen en weer dienst te gaan doen in mijn vroegere kazerne. Het was alsof de wachtmeester mijn bedoeling begreep, er misschien wel begrip voor had. Wat ik nooit verwacht had gebeurde: hij stemde in met mijn verzoek en zo kwam ik weer terecht in de bekende omgeving van de kazerne in Dortmund.

Nu werd ik ingedeeld bij de “Flak-Ersatzabtelung”. De dienst was zwaar en, zoals ik later tot mijn grote schrik hoorde, was deze “abteilung” voorbestemd voor Rusland. 
Door voortdurend ziekte te simuleren, wat mij heel aardig gelukt is, slaagde ik er herhaaldelijk in de dienst te ontspringen. Toch zou ik het daar uiteindelijk zeker niet mee redden, maar ik kreeg weer een andere ingeving. Ik had namelijk slechte tanden en dit leek mij een goede tijd om er iets aan te doen. Ik zorgde dat ik bij de legertandarts terecht kwam: alle behandelingen gingen via de dienst en ik heb dit zo lang mogelijk proberen te rekken. Het advies van de tandarts was om alle tanden te laten trekken: er moest een nieuw gebit komen. Voor het maken van dit gebit moest ik naar een tandkliniek in Werl en dat paste heel precies in mijn straatje: tijdrekken, al die tijd ging van de oorlog en van mijn gedwongen diensttijd af.

In Werl ging het gemoedelijk toe, in tegenstelling tot de vorige dienst. Regelmatig moest ik voor behandeling naar de tandarts en de overige tijd moest worden doorgebracht in arbeidsdienst, o.a. als hulparbeider bij de boeren en dat was heel wat menselijker dan militair zijn. Ik heb het klaar gespeeld mijn aanwezigheid in Werl zo lang mogelijk te rekken. Op een gegeven ogenblik was ik zelfs beheerder van de aanwezige bibliotheek.

Het ging goed tot die bewuste vrijdagmiddag, dat ik voor de zoveelste controle naar de tandarts moest. Deze keer was er in plaats van de gewone tandarts, een hooggeplaatste “Stabarts” aanwezig. Die had meer belangstelling voor mijn papieren dan voor mijn gebit. Een korte blijk was voldoende. “Wat! Al zes weken in Wert! Heraus, sofort abhauen!" 
De volgende dag zat ik weer in Dortmund.

Nu moest er wat anders op gevonden worden om te voorkomen dat ik richting front moest. Gelukkig, ja gelukkig" had ik in die tijd eczeem aan mijn voeten en het zag er veel erger uit dan het was. Hiermee ben ik aan het dokteren geslagen. De arts schreef zalf voor, maar die heb ik wijselijk nooit gebruikt. Ik heb er zelfs enkele weken mee in het hospitaal gelegen, terwijl mij eigenlijk niets mankeerde.

Bij het dienstdoen deed ik vreselijk moeilijk. Ik wou zo graag, maar ik kon helaas niet: het toneel spelen lukte aardig en stiekem heb ik vaak gelachen, dat alles zo volgens plan verliep. Met de gedachte ,alles of niets" heb ik tenslotte een verzoek ingediend bij de commandant en gezegd, dat ik als halve soldaat alles en iedereen tot last was en niets kon presteren. Ik vroeg om afkeuring en verbond er het verzoek aan weer op vliegveld Twente te worden gestationeerd. 
Wat ik eigenlijk niet voor mogelijk had gehouden werd werkelijkheid. Ik kreeg keuring en nadat mijn laatste keuring ,goed" voor mij was uitgevallen, kreeg ik het verheugende bericht, dat ik “tijdelijk was ontslagen uit de militaire dienst.

Ontslag uit militaire dienst

Direct nadat ik mijn ontslagbewijs in handen had gekregen ben ik vertrokken richting huis. 's Morgens om 7 uur kwam ik in Gronau aan; ik was nog net op tijd voor de kerkdienst om te danken voor het wonderbaarlijk verloop van mijn plannen. Nu kon ik op het vliegveld Twente als gewone burger mijn werk hervatten. Dat was een ongekende weelde; ik werkte in de montagehal. Toch was het werk op het vliegveld niet zonder gevaar en met veel geluk heb ik diverse bombardementen goed overleefd.

Soms was het triest om te zien hoe de nachtjagers na hun nachtelijke vluchten weer terug kwamen. Zo zag ik op een morgen, dat een nachtjager geheel met bloed was besmeurd, blijkbaar na een voltreffer van een vliegend fort. Een andere keer zag ik een laars van een van de bemanningsleden uit het toestel hangen. 
Soms was er rouw, wanneer een van de piloten niet terug keerde van een nachtelijke vlucht Wanneer men zoiets ziet, dan dringt pas door hoe onmenselijk een oorlog is, ook al besefte ik heel goed wie er eigenlijk met die oorlog was begonnen.

Opnieuw in militair dienst 

Na een half jaar op het vliegveld gewerkt te hebben, kreeg ik helaas weer een oproep om me te melden voor de militaire dienst en wel bij de “luchtafweer”, dit keer in Berlijn. Dat was juist in de tijd, dat Berlijn bijna nacht op nacht hevig gebombardeerd werd. Dit was geen prettig bericht. Toch kreeg ik het via de leiding van het vliegveld en andere instanties voor elkaar, dat ik weliswaar wel weer militair moest worden, maar dat ik mijn dienstplicht kon blijven uitoefenen op vliegveld Twente. Ik werd nu ingedeeld bij de “tankers”.

Ons werk bestond er in de “Tankanlage” in stand te houden en de nachtjagers te bevoorraden met brandstof. Veel bombardementen heb ik gelukkig ongedeerd overleefd. Geluk had ook een collega van mij. Langs de wegen op het vliegveld had men putringen geplaatst, die dienst moesten doen als een-persoons schuilkelder bij eventuele verrassingsaanvallen. Bij een van deze aanvallen kroop die soldaat in een van deze buizen, maar voelde zich er kennelijk niet veilig en kroop naar een enkele meters verder geplaatste putring. Laat nu in de eerder gekozen schuilplaats een voltreffer neerkomen.

Inmiddels begon het gerucht de ronde te doen, dat onze afdeling verplaatst zou worden naar Kassel. Het vervoer er naar toe zou moeilijk en gevaarlijk zijn door de vele luchtaanvallen. Het transport zou daarom per fiets plaats vinden en voor iedereen stond al een genummerde fiets klaar. Ik kreeg het weer benauwd. Voor alle zekerheid prikte ik 's avonds de banden van mijn fiets stuk, om tijd te winnen en nog even met mezelf te kunnen overleggen hoe ik de dans zou kunnen ontspringen als het zover was. 
Gelukkig is van de hele verhuizing niets terecht gekomen; het ging gewoon niet door. 

Het bleef toen rustig tot die bewuste zondagmiddag in september 1944. Het was een prachtige herfstdag, toen ineens de radio bekend maakte, dat geallieerde troepen een luchtlanding had den uitgevoerd bij Arnhem. 's Nachts was er alarm en werden alle militairen van het vliegveld naar Arnhem gestuurd. Zoals ik later heb gehoord zijn velen van hen zwaar gewond en hebben ook velen daar de dood gevonden.

Desertie en onderduiken in Losser

Op het vliegveld was het de volgende dag betrekkelijk rustig; eigenlijk was alleen onze afdeling “tankers” nog aanwezig. Ik was er heel gelukkig mee. Toch was mijn vreugde voorbarig en van korte duur. Nog diezelfde nacht kwam er alarm en het bevel: alles klaarmaken en melden bij de “Flugleiting”. Ik had al gauw begrepen: dit gaat naar het front, naar Arnhem! Ik moest een besluit nemen. Nu; ik moest hier weg. Hoe, en wat neem ik mee? Ik dacht als het op schieten aankomt heb ik in ieder geval een geweer nodig, dat greep ik dus mee. Iedereen was druk aan het pakken, was druk met zichzelf en niemand lette op een ander. Dat is waarschijnlijk mijn geluk geweest.

Via een achterdeur en gebruik makend van de verwarring, kon ik het gebouw uitglippen en een fiets pakken om zo vlug mogelijk van het vliegveld af te kunnen komen. Dat was niet zo eenvoudig, want via de wacht had ik geen schijn van kans om weg te komen. 
Ergens wist ik echter nog een geheime uitgang; deze was echter geblokkeerd! Mijn laatste hoop was er nu op gevestigd ergens een gat in de omheining te vinden en te hopen niemand van men vroegere wapenbroeders tegen te komen. Ik had geen keus, het was de enige kans die ik had en weer heb ik alle geluk van de wereld gehad. Ik vond een uitweg, kon er ongezien doorkomen en om ongeveer twee uur 's nachts was ik thuis. Heel gelukkig natuurlijk, maar met grote onrust over de vraag hoe het nu allemaal verder moest.

's Morgens om 5 uur heb ik mijn buurman, Johan Blokhuis, wakker gemaakt. Ik had hem al eens gewaarschuwd, dat ik misschien op 'n keer zou komen, maar nu kwam 't toch wel heel onverwachts. Er was weinig tijd om te overleggen, er moest snel gehandeld worden. Johan wist raad en verschafte mij voorlopig onderdak in het huis van Albert Poorthuis, het Froenshuis. Het huis stond leeg, want Albert werkte toen ergens in Duitsland, vlak over de grens. Ik zat toch heel erg in spanning en dat “grote" lege huis maakte het er niet beter op. Wat zou er gebeuren met mijn vrouw en kinderen als ze me vonden en zouden ze ook lastig gevallen worden om zodoende mij op het spoor te komen? 

Later is er 'n keer huiszoeking gedaan, maar gelukkig was er niemand van ons gezin aanwezig .... als ze die hadden opgepakt had ik voor de dag moeten komen en als deserteur was mijn lot dan wel bezegeld. Drie dagen heb ik het volgehouden in het huis van Poorthuis. Toen hoorde een kennis van mij, Johan van der Horst, die bij boer Ter Beek in de Zandbergen ondergedoken zat, van mijn moeilijkheden. Met instemming van de boer, zei hij: “Laat hem maar hier komen, hier is nog wel plaats."

's Nachts sliepen we op de zolder, daags was er wel werk op de boerderij. Ik voelde me redelijk veilig, ook al bleef de toestand spannend. Toch dacht ik de rest van de oorlog daar wel te kunnen overbruggen. Maar alles liep anders! Het gerucht deed de ronde, dat er een grote razzia op komst was. Ik was gewaarschuwd voor de 24e oktober 1944, maar toch was ik niet voorzichtig genoeg geweest. Toen de Duitsers al in de boerderij waren en de boer al hadden opgepakt, liep ik nog ergens rond. 
Op het allerlaatste moment kreeg ik lucht van wat er aan de hand was en zag nog net kans in het kippenhok weg te duiken. Een erg onveilige, open plek. Ik moest naar “mijn hol". We hadden namelijk in een houtwal een hol gegraven en dat moest ik zien te bereiken. Weer had ik geluk! Ik zat net in die schuilkelder, toen twee militairen met het geweer in de aanslag, de wal overstaken. Was ik 10 seconden later geweest, dan was ik hun precies voor de voeten gelopen en dat was voor mij zeker het einde geweest. Ik heb tot de avond, tot het wat rustiger werd, in de schuilkelder gezeten.

Gelukkig kwam de boer later op de dag behouden terug. De schrik zat er echter wel heel erg in en begrijpelijker wijze durfde men mij niet langer onderdak te verschaffen. Ik moest dus omzien naar een andere schuilplaats. De eerste drie dagen heb ik onderdak gevonden bij mijn zwager, Theo Meyerink aan de Lutterstraat; vervolgens kon ik terecht bij de familie Kleissen aan de Oldenzaalsestraat. In een klein kamertje, verbonden met een schuilplaats, bij winterse temperaturen, heb ik er drie maanden, tot januari 1945, ondergedoken gezeten. 
Om voor mijn kinderen mijn aanwezigheid verborgen te houden, kreeg ik een andere voornaam en werd over mij gesproken als Frans. 

Onderduiken buiten Losser

Het is voor allen die mij onderdak hebben verschaft een groot risico geweest, waarvoor ik nog steeds heel dankbaar ben. Het leek mij echter veiliger een onderduikadres te vinden buiten Losser. De Hr. A. Mos, oud-voorzitter van onze sportvereniging en na de oorlog nog even waarnemend burgermeester van Losser, hoorde van mijn problemen en zijn antwoord luidde kort en bondig: “Laat hem maar hier komen; ik weet nog wel een plaats voor hem". Maar hoe moest ik in Weerselo komen, want het was een hele verhuizing, ook het beddengoed moest mee. Mijn oude sportvriend, Johan ter Beek, was genegen aan dat avontuur te beginnen en hij had een transportfiets voor het opladen van het beddengoed. Vol goede moed en vertrouwende op een goede afloop zijn we vertrokken.

Het was nog volop winter, veel sneeuw en gladde wegen. We waren nog maar bij steenfabriek Osse of we waren al drie keer van de fiets gevallen. Maar Johan gaf gelukkig de moed niet op, al zei hij wel: “We zullen het nog een keer proberen; lukt het niet dan moet je maar alleen verder. Je moet je in dat geval melden bij een kapper in Weerselo (ik meen dat deze Steenink heette) en daar weten ze er alles van." We konden echter samen verder en zonder verdere valpartijen bereikten we Oldenzaal.. .. maar het ergste zou nog komen.

Bij de spoorweg overgang in Oldenzaal, waar nu de tunnel is, was controle door de Wehrmacht. Alles werd aangehouden en gecontroleerd. En daar kwamen wij aan met ons beddengoed, we konden niet meer terug. Ik zei tegen Johan: ,Wat nu?'' Deze had maar een antwoord: ,Er op of er onder. .. fietsen !" En het wonder geschiedde: alles werd aangehouden en wij met ons transport konden ongehinderd passeren. 
Het was wel even diep ademhalen geweest, maar een half uurtje later bereikten we gezond en wel Weerselo. Hier was alles voor de ontvangst gereed en nadat nog wat was nagekaart over onze avontuurlijke tocht, werd mij als onderduikadres aangewezen, boer Bekke, in de omgeving beter bekend als ,Tüten Berend", wonend in de buurtschap Dulder bij Albergen. De ontvangst bij de boer was allerhartelijkst. De eerste maaltijd zal ik echter nooit vergeten. We kregen erwtensoep en natuurlijk hoorde daar een stuk van het varken bij. Als welkom kreeg ik een extra groot stuk, normaal geen enkel probleem, maar het ergste was, dat het vlees niet al te goed schoon was, er zaten nog lange varkensharen aan! 
Met de ogen dicht heb ik het vlees naar binnen gewerkt, maar ik zat wel te kokhalzen. De beide dochters van de boer hadden blijkbaar ook niet veel zin in het vlees en heel goed bedoeld , kreeg ik van hen nog een zelfde portie toegediend. Ik kon het niet weigeren, maar toch voelde ik mij niet geheel lekker. 
Dat was mijn eerste kennismaking met “Tüten Berend".

Bij mijn nieuwe onderkomen, de familie Bekke dus, heb ik over het algemeen heel ontspannend geleefd. Overdag was er altijd wel wat te doen en ook werd er dikwijls gewerkt bij de een of andere naburige boer. Inmiddels had ik via de Hr. Mos een “Ausweis" gekregen op naam van G.H. Bank en ik kon mij nu echt wat vrijer bewegen. Zo nu en dan kwam ik nu ook wel eens in het dorp en zag dan soms bekenden uit Losser of Overdinkel voorbij trekken met volgepakte wagens aardappelen, die ze hadden opgehaald in Kloosterhaar. 
Heel graag zou ik even met hen gepraat hebben, maar ik kon mijn veiligheid niet op het spel zetten. Spannend was het vooral 's avonds, wanneer we, op een voor mij onbekend adres, naar de geheime zender gingen luisteren en groot was de vreugde als er vooruitgang te melden was en het einde van de oorlog dichterbij leek te komen.

De bevrijding

Met de paasdagen in zicht trokken de geallieerde troepen Twente binnen en werden o.a. ook Oldenzaal en Losser bevrijd. Voor mij een reden om dinsdags na Pasen in Oldenzaal eens te gaan kijken naar het voorbijtrekken van het bevrijdingsleger. Onderweg naar Oldenzaal kwamen mij enkele tanks tegemoet en een lid van de bemanning zei tegen mij: ,Daar Moffen?" Ik zei: “Alles oké", maar ze moesten eens weten, dat ze die vraag hadden gesteld aan een Duits militair!

Na de spanning en de eerste vreugdevolle dagen dacht ik, dat het nu wel veilig zou zijn in Losser en heb ik donderdag na Pasen het besluit genomen om terug te gaan naar Losser. Allereerst heb ik echter afscheid genomen van de familie Bekke en heb hun heel hartelijk bedankt voor het niet ongevaarlijke onderdak verlenen aan een Duits militair. Vol goede moed stapte ik op mijn fiets, richting Losser; net buiten Losser kwam ik een bekende uit Losser tegen; we hebben elkaar even begroet en daarna heb ik mijn fietstocht vervolgd. Blijkbaar heeft de Lossernaar bij de B.S. verteld, dat ik een Duitser was en dat was voor de leden van de ondergrondse strijdkrachten een reden om een heldendaad te verrichten. Ik vervolgde dus mijn tocht richting Losser - in gedachten was ik reeds bij mijn vrouw en kinderen- toen ineens achter mij het bevel klonk: “Afstappen en handen omhoog!" Ik keek toch wel enigszins verschrikt om en zag twee geweren dreigend op mij gericht. ,Papieren!", was het volgende bevel. Ik probeerde mijn papieren uit de binnenzak te halen en daarvoor had ik mijn beide handen nodig. “Een hand omhoog !" Met heel veel moeite kon ik mijn papieren tevoorschijn halen en toen ze die hadden bekeken ,verliep het gelukkig allemaal wat soepeler. Het was slecht weer, daarom werd ik uitgenodigd mee te gaan naar een boerderij, vlak aan de weg gelegen. Hier werd ik nog eens gecontroleerd en werd mij een verhoor afgenomen. Natuurlijk kwam ook de vraag, hoe ik aan mijn papieren was gekomen. Toen ik ze had uitgelegd, dat ik die via de Hr. Mos had gekregen werden ze veel vriendelijker.

Het eigenaardige geval deed zich namelijk voor, dat de man, die mij zo bars had toegesproken, zelf mijn papieren had uitgeschreven: hij werkte nl. op het gemeentehuis van Ootmarsum! Nadat ze hun excuus hadden aangeboden, kon ik mijn weg vervolgen. Later heb ik nog wei eens gedacht, wat zou er gebeurd zijn, als ik niet aan de opdrachten van de beide heren had kunnen voldoen? Dan had het nog raar kunnen lopen vermoed ik zo.

Begrijpelijk was de vreugde groot toen ik behouden thuis kwam. Ik kreeg nu alle tijd om tot rust te komen en er over na te denken hoe wonderbaarlijk ik die verschrikkelijke oorlog heb overleefd met een hart vol dankbaarheid, dat alles zo goed was afgelopen.

Later ben ik nog een tijdlang geïnterneerd geweest. allereerst in een school in Oldenzaal en later in de fabriek van Jannink in Enschede. Hierover zou ook nog heel wat te vertellen zijn geweest, maar ik was allang blij, dat alles achter de rug was.

Aloys Kortemeier

Aanvulling door de redactie HKL

In 1948 verkreeg de Hr. Kortemeier het Nederlanderschap. Zijn daartoe ingediende verzoek werd gesteund door de sportorganisatie waarbij hij voor en na zijn diensttijd actief was betrokken, door Dr. de Bruyn. die hem bij het simuleren van ziekte en kwalen medisch had begeleid en door de r.k. geestelijkheid, terwijl de plaatselijke politie een verklaring af gaf van goed gedrag. Daarna kwam definitief een einde aan alle narigheid.

Hij heeft grote verdiensten gehad voor de Losserse samenleving, in het bijzonder voor de sport en de Koninklijke onderscheiding die hem ten deel is gevallen heeft die vele verdiensten heel terecht  onderstreept. Aloys Kortemeier, de Duitser die met hart en ziel Nederlander en Lossernaar werd overleed op negentigjarige leeftijd op 27 december 2001 (bidprentje).

Zie ook de bijdrage over Aloys Kortemeier in het boek meisje van de Froenstraat

Copyright Historische Kring Losser - herpublicatie alleen na schriftelijke toestemming en bronvermeling

Reacties