Geplaatst door: 
Verhaal

Een plezierreis bij Van Heek naar Amsterdam op 3 augustus 1929

Auteur: 
Thea Evers - ODeM 1994-1

Zaterdag 3 augustus 1929, vijfenzestig jaar geleden, was voor de arbeiders van de textielfabriek L. van Heek & Zn. te Losser een zeer bijzondere dag. Onder persoonlijke leiding van de directie werd een bezoek gebracht aan Amsterdam. Het personeel had hiertoe een schrijven ontvangen met de volgende aanhef: "Plezierreis naar Amsterdam op zaterdag 3 augustus 1929, naar aanleiding van het Huwelijk van den Heer en Mevrouw H.J.P. van Heek-Roelvink en de terugkeer van den Heer L. van Heek jr van zijn wereldreis." Twee burgerlijke gebeurtenissen van zeer verschillende aard, die allebei betrekking hadden op de zonen van de stichter van de fabriek Ludwig van Heek (1871 -1931), vormden dus de aanleiding voor deze plezierreis. Maar voordat het eigenlijke uitstapje aan bod komt, eerst wat meer over de stichting van de fabriek en de personen en gebeurtenissen, die de aanleiding vormden voor dit dagje uit. Daarvoor terug naar het jaar 1926.

De stichting van de fabriek

In de raadsvergadering van 8 juni deelt de voorzitter, burgemeester C.J.A. van Helvoort, mee, dat na verzending der convocatiebiljetten, alsnog is binnen gekomen een tot Burgemeester en Wethouders gericht verzoek om vergunning voor de bouw van de fabriek, waarvan dezer dagende aanbesteding heeft plaats gehad.

'De' fabriek met de klemtoon op 'de' was blijkbaar voldoende! De bouwverordening van de gemeente hield de bepaling in, dat de gebouwen niet hoger dan 18 meter boven de aangrenzende buitengrond mochten worden opgetrokken. Maar de toren van de fabriek zal circa 29.50 meter hoog worden; daarom stellen B&W voor ontheffing te verlenen. Zonder hoofdelijke stemming wordt conform dit voorstel besloten. De aanbesteding had toen inderdaad al plaats gevonden. 

In de krant was namelijk aangekondigd, dat op maandag 31 mei 1926, 's middags om 3.00 uur in Hotel Smit, de aanbesteding zou plaats vinden van "Het bouwen van spinnerijgebouwen . . .. op een terrein gelegen tusschen den weg naar Glane en den weg naar Overdinkel te Losser en het glas-en schilderwerk aan bovengenoemde gebouwen." Nadere inlichtingen geeft Civ. ing. en Architect Arend G. Beltman. De naam van de lastgever wordt ook hier niet genoemd. De krant van 1 juni (zie www.delpher.nl)  vermeldde, dat de aanbesteding had plaats gevonden. De laagste inschrijver voor het bouwwerk was de Gebr. Koenders te Enschede voor de somma van fl. 164.000,-.
Voor het glas-en schilderwerk was dit H.J. Klaassen & Zn. te Haaksbergen voor fl. 21.363,-.

Daarna, pas op 18 juni 1926, kwam dus het verzoek aan de gemeenteraad. Hieruit blijkt overduidelijk hoe de verhoudingen toen lagen en hoe belangrijk deze fabriek voor Losser was.
De werkgelegenheid in de gemeente was minimaal en de werkloosheid zeer groot. Een latere statistiek uit 1931 vermeldde in Losser slechts 7 bedrijven, waar meer dan 10 personen in dienst waren: of, zoals men in Losser nu nog zegt ... "hier was ja niks!" Hierbij moet worden opgemerkt, dat de gemeente Losser toen veel groter was dan nu. De annexatie van Noord- en Zuid Berghuizen, die weliswaar al enkele jaren als een dreigende wolk boven de gemeente hing, had nog niet plaats gevonden. En in 1927 zouden deze plannen voorlopig ook weer van de baan zijn. Losser heeft deze textielfabriek mede te danken aan het feit, dat er binnen het bedrijf in Enschede moeilijkheden waren gerezen. De oudste zoon van Ludwig van Heek, Helmich Jan Paul (1900 -1982), die op grond van de familietraditie voor opname in de firma in aanmerking zou zijn gekomen, werd gepasseerd.

Van Schelven vermeldt in zijn boek, "Ondergang in familisme" (over de geschiedenis van Van Heek & Co te Enschede) dat de meerderheid van de firmanten toen dit besluit nam om redenen van persoonlijke aard. Een familiecontract uit 1902 omschreef, dat een firmant blijk moest geven van "zodanige vlijt, kennis van zaken, toewijding en goed gedrag als van een goed firmant dezer vennootschap kan worden gevorderd".
Opvallen is wel, dat H.J.P. van Heek ook later weer een bron van zorg zal zijn voor de familie.

"Hoog aan den wind"

In 1938 verschijnt namelijk het boek "Hoog aan den wind" geschreven door Ru Basse, een pseudoniem voor de Enschedese chirurgröntgenoloog Ben Nierstrasz (1889 -1965), die, ook werkzaam was aan het toenmalige Losserse ziekenhuis, het Bernardus Gesticht. In "Hoog aan den wind", een roman over een doktersleven, werden de hogere kringen van Enschede beschreven en dat waren toen inderdaad voor het merendeel fabrikantenkringen. In deze milieus meende men de personen en gebeurtenissen, die in dit boek beschreven werden te herkennen. De arbeiders zullen niet veel aanknopingspunten gehad hebben, want die konden daar moeilijk over oordelen. De hogere milieus waren toentertijd nog zeer gesloten en de afstand was groot. Bovendien kostte het boek voor de oorlog fl. 2,90 en voor de 3e en 4e druk in 1947/'49 moest fl. 6,90 betaald worden. Dit waren bedragen, die door de arbeiders nauwelijks voor het kopen van een boek konden worden uitgegeven. Al gauw werd gemompeld, dat het boek een sleutelroman was, waarin ook H.J.P. van Heek en zijn vrouw zouden voorkomen. Het baarde veel opzien en de voorraad boeken werd opgekocht en uit de handel genomen. Daardoor werd de nieuwsgierigheid uiteraard alleen maar aangewakkerd.

Het zal de schrijver, dokter Nierstrasz, in die tijd ongetwijfeld veel narigheid hebben bezorgd. Tijdens een lunchbijeenkomst van de Rotaryclub in 1933, waarvan hij deel uit maakte sinds de oprichting in 1936 samen met o.a. G.J. van Heek W. Hzn., verklaarde hij nadrukkelijk geen personen of clubs (in dit geval de vliegclub) te hebben willen hekelen. Hij zegt:" Het venijn', dat uit het boek gezogen wordt, geschiedt door hen die belust zijn op relletjes en sensatie."
Deze sensatie heeft, mede door het opkopen van het boek, inmiddels al 55 jaar stand gehouden. Ook nu nog is het een veel gevraagd boek bij bibliotheken en antiquariaten en als er af en toe eens een exemplaar opduikt moet er een behoorlijke prijs voor betaald worden. "Men" zei in die tijd, dat de schrijver, die diep bedroefd was door het overlijden van zijn vrouw, zijn verdriet van zich af had willen schrijven. In een uitvoerige inleiding bij de derde druk in 1947 vermeldt de auteur, dat de thema's van het boek zijn: "God, de dood, het leven en de liefde." Voorts verklaart hij, dat de personen en omstandigheden, die in dit boek voorkomen, de plaats der handeling, de moeilijkheden en conflicten, die er in worden beschreven, alle slechts konden bestaan bij de gratie van de verbeelding van de schrijver. Hoe het ook moge zijn geweest, het boek blijft in Twente al tijd omgeven met een waas van geheimzinnigheid.

Ter illustratie hiervan het volgende voorbeeld: in de Openbare Bibliotheek Enschede was (en is) een exemplaar aanwezig, maar het stond op de kamer van de directeur hoogst persoonlijk. Zowel personeel als publiek moest met zeer gegronde redenen komen om de roman te mogen inzien en dat kwam dan ook nooit voor.
En uitlenen kwam natuurlijk helemaal niet ter sprake. Het feit, dat de bibliotheek officieel H.B. Blijdenstein stichting heet en dat een telg uit fabrikantenkringen tot in de zeventiger jaren deel uit maakte van het bestuur, zal hiermee zeker in verband hebben gestaan. Later veranderde dit beleid en nu maakt deze roman, vanwege de historische waarde, deel uit van de speciale Twente Collectie van deze bibliotheek. Voor de lezer in deze tijd is in eerste instantie alle opwinding rond dit boek onbegrijpelijk. Het leest nu als een zeer breed uitgesponnen, ietwat sombere , christelijke familieroman. Er komt weliswaar overspel in voor, maar daar kijkt men tegenwoordig niet meer van op. Iedereen leest bij de kapper in de diverse bladen, wie er met wie gaat, met name over bekende Nederlanders. Toen was dat wel even anders! Het ging om mensen, die het bekende leven in Twente beheersten, die je regelmatig in de fabriek zag en van wie je afhankelijk was. In Losser waren mensen, die hun pet afnamen voor elke auto die voorbij reed, want "daar zou den heer wel eens in kunnen zitten."

Invloedrijk

De Van Heeks waren niet alleen zeer rijk, of, zoals de pastoor van de r.k. kerk aan de Deurningerstraat bij de uitvaartdienst van Ludwig van Heek Sr. in 1931 zou zeggen:" Zo rijk gezegend door God met aardsche goederen, maar ook zeer machtig en invloedrijk." Ofschoon de familie niet katholiek was werd aan het graf dus ook gesproken door deze pastoor. En tijdens de uitvaart luidden ook de klokken van zijn kerk.
De grenzen van de toenmalige toch zeer sterke godsdienstige verzuiling werden hier overschreden, omdat het om zo'n belangrijke persoon ging.

Op zijn kasteel in Zuid-Tirol, slot Goyen bij Merano, waar Ludwig van Heek de laatste jaren van zijn leven doorbracht, mocht hij ook koningin Wilhelmina tot zijn gasten rekenen. Er gingen in die tijd in Losser zelfs geruchten, dat een huwelijk van prinses Juliana met een van de zonen van Van Heek tot de mogelijkheden behoorde. Bovendien hadden de stakingen van 1931/'32, die o.a. resulteerden in loonsverlagingen, diepe wonden geslagen. Tegen die achtergrond bezien valt elke commotie rond dit boek ook nu nog te begrijpen.

Het huwelijk van H.J.P. van Heek was dus de ene aanleiding voor de personeelsreis in 1929; de andere reden was de terugkeer van Ludwig jr. (geb.1930) van een reis om de wereld. In een Memorandum, waarin hij zijn ervaringen beschreef en dat door zijn vader werd uitgegeven, staat vermeld, dat hij zich "te zijner ontwikkeling sedert midden Augustus op enee wereldreis bevindt." ) Hij bericht o.a. over de textielindustrie in Japan, China en Singapore.

De Twentse fabrikanten waren met name beducht voor de Japanse concurrentie op de markt in Nederlands Oost-Indie, waar de Twentse industrie de positie, die zij voor de Eerste Wereldoorlog innam, steeds meer zag terug gaan. Japan had in de ogen van de Twentse fabrikanten een grote voorsprong door de lage lonen en de lange werktijden. Ook werd daar gewoon gewerkt op zaterdag en zondag. Men pleit er in dit Memorandum dan ook voor om niet meer angstvallig vast te houden aan de 'achturendag', aangezien dit uitloopt op schade voor industrie en arbeiders. Arbeiders zouden langer moeten mogen werken om hun levensstandaard te verbeteren. Maar "hij, de arbeider, mag dit nimmer laten blijken of uitspreken, daar hij anders als Judas wordt uitgekreten." Curieus is verder de opmerking, dat de Japanner, uiteraard tegen betaling, op het bedrijf 3 maaltijden ontvangt, die omgerekend in centen wel bijzonder goedkoop zijn. "Maar dat dit ook alweer kan, omdat een Japanner zo klein van postuur is en met minder kan volstaan dan een Europeaan." De loonsverlaging waar men in dit geschrift al voor pleit, zal later na de stakingen van 1931/'32 bittere werkelijkheid worden. De wereldreis van Ludwig jr. was dus ten einde en vormde de tweede aanleiding voor deze bijzondere "Plezierreis" naar Amsterdam.

Het uitstapje

Op zaterdag 3 augustus 1929 was het dus zover. Men vertrok bij de halte Essenhuis, gelegen naast het Flakenpad tegenover de fabriek en wel om 4.55 v.m., wij zouden zeggen 's nachts! Halte Essenhuis was gelegen bij het gelijknamige café, dat omstreeks 1975 werd afgebroken. In het pannendak stond indertijd met grote letters "Halte Stoomtram."

Per trein ging men naar Amsterdam: aankomst om 9.06 v.m. In gereserveerde electrische trams reed men door de stadswijken naar Artis "alwaar onder geleide de verschillende dieren werden bezichtigd." Om 12.00 uur precies was het verzamelen geblazen in de restauratiezaal van Artis, om samen het middagmaal te gebruiken.

Na het eten om 12.45 vertrok het gezelschap weer per extra tram naar de bioscoop "CinemaRoyal" op de Nieuwendijk, waar om 13.30 uur een "sprekende en musicerende film" werd vertoond.
Toen de voorstelling was afgelopen ging men te voet naar de Ruyterkade aan het Centraal Station. Bij steiger nr.5 scheepte het gehele gezelschap zich in aan boord van de "Friesland". Men maakte een boottocht naar de haven, de Oranjesluizen (de verbinding van het Noordzeekanaal met het IJsselmeer bij Schellingwoude) en naar fort Pampus (een ondiepte in het IJsselmeer, voor het IJ), tot in de negentiende eeuw een fort ter bescherming van de Oranjesluizen.

Aan boord zorgde een originele Volendammer Harmonicaband voor de goede stemming en menig paartje maakte een dansje onder begeleiding van muziek en zang. Na de terugkeer van de boot tocht was iedereen vrij om Amsterdam in te gaan. Om 19.30 uur, moest men weer voor de hoofdingang van het Centraal Station zijn. Dat de leiding het niet helemaal zag zitten, om de mensen uit de provincie zo maar op eigen houtje in Amsterdam te laten lopen, blijkt uit de goede raad die men op schrift had gesteld: "De grootste voorzichtigheid wordt aanbevolen bij het vragen naar den weg aan onbekenden, daar het gevaar zeer groot is, dat men geheel verkeerd terecht gewezen wordt.
Men wende zich dus in geval men de weg moet weten tot een politieagent, die men aan alle hoeken van den straat aantreft. "Wanneer we dat laatste letterlijk mogen nemen, dan is dat voor de hedendaagse Amsterdammer iets om jaloers op te mogen zijn: een politieagent op elke hoek van de straat! Voor het vertrek uit Amsterdam bedankte een van de arbeiders namens alle collega's de directie voor het "geboden genot" en alle aanwezigen stemden hiermee in door een donderend en herhaald “hoera!!"
Daarna at men nog gezamenlijk een broodje in de 3e klas wachtkamer en om 20.47 uur vertrok de trein naar Losser.

Terugreis

De planning was om 's nachts om vijf minuten voor één weer in Losser aan te komen. Maar volgens het verslag in de krant kwam men in "beste stemming 's nachts om 2 uur aan" , vast en zeker doodmoe van deze "plezierreis" die 21 uur geduurd had!
Of er inderdaad vertraging is opgetreden, of dat het krantebericht niet geheel juist geweest is, is niet meer te achterhalen.

Niemand zal moedwillig te laat zijn gekomen, want in de aankondiging van deze reis stond nadrukkelijk vermeld: "Zij die te laat komen moeten de terugreis zelf bekostigen."
Verder werd men er op gewezen om de plaatskaarten voor de trein. bonboekjes voor consumpties en toegangsbewijzen niet te verliezen.
Bovendien was het ten strengste verboden (vetgedrukt)"sterken drank mee te nemen of onderweg te koopen, noch in den trein, noch gedurende het uitstapje en iedereen moest zich houden aan de richtlijnen van “zijn baas en zijne helpers."

Het orginele krantenbericht is in de krant van 5 augustus 1929 te lezen op www.delpher.nl

Geraadpleegde literatuur:

  • Archiefmateriaal Historische Kring Losser;
  • Basse, Ru: Hoog aan den wind -1933;
  • Dungen, Jan van den: Spot op Enschede;
  • Heek, L. van: Memorandum over de situatie in de textielindustrie -1929;
  • Schelven, A. L. van: Onderneming en familisme - 1984;
  • Snuif, C.J.: Familieboek der Van Heeks -1915

*Overnemen van foto's  en/of  artikel alleen na toestemming van de HKL.

Reacties

afbeelding van Ben Gerink
Zeer lezenswaardig artikel. Wist niet dat Van Heek gebruik maakte van "stroman" voor het verwerven van de gronden voor zijn nieuwe fabriek. Misschien is een publicatie over het boek "Hoog aan de wind" en vooral de gevolgen daarvan van een idee!
afbeelding van J.J. Benink
Het is mevrouw van Heek-Roelvink, niet mevrouw van Heek-Roelink. Dokter Nierstrass heb ik persoonlijk gekend. Rotaryvriend van mijn vader. Uiteraard bezit ik een exemplaar van zijn boek "Hoog aan den Wind". Tweede druk.
afbeelding van Historisch Centrum Haaksbergen
De bibliotheek van het Historisch Centrum in Haaksbergen beschikt over een eerste druk van Hoog aan den wind. Zij hebben echter ook nog een derde druk in de kast staan. Deze laatste is voor € 25.00 verkrijgbaar. Het is nog een fraai exemplaar.
afbeelding van Peter Heerink
Hartelijk dank voor het aandachtig lezen van ons artikel. Het is waarschijnlijk een typefout. Ik heb het meteen aangepast. Met vriendelijk groet